Tagarchief: TU Delft

De Pen | Prof.dr. P.J. Boelhouwer, Hoogleraar Housing systems aan de TU Delft

Peter-Boelhouwer—trap-2_0001
Lees het gehele artikel

Na jaren van VINEX woningbouw komt de Nederlandse woningbouw in een geheel nieuwe periode terecht, waarin het binnenstedelijk bouwen de norm zal zijn. Zo blijkt uit de staat van de Volkshuisvesting dat 80% van de voor woningbouw beschikbare bouwgrond nu in de stad is gelegen. Een zeer forse koerswijziging dus, omdat in de afgelopen jaren dit percentage rond de 30% uitkwam. Ook het type woning dat op deze locaties gebouwd gaat worden, verschilt sterk van de woningtypen uit de VINEX tijd waarin veel grondgebonden eengezinswoningen werden gerealiseerd. In de nieuwe binnenstedelijke locaties zullen voornamelijk appartementen in de wat duurdere prijsklassen de boventoon voeren.

Omdat veel nieuwe ontwikkellocaties op oude industrieterreinen zijn gelokaliseerd, staat de bouw van meer betaalbare woningen sterk onder druk. De vraag die hierbij gesteld kan worden, is of we hier niet dezelfde fout begaan als in de jaren ’60, toen op basis van het modernistisch gedachtengoed van de stedenbouwers een groot deel van Nederland werd volgebouwd met hoogbouw galerijflats. Ook in die tijd waarschuwden veel gedragswetenschappers al dat deze woningen onvoldoende aansloten bij de heersende woonvoorkeuren van veelal jonge gezinnen. Toen zij de kans kregen en in de groeikernen veel grondgebonden woningen met een tuintje werden aangeboden, verlieten deze huishoudens en masse de hoogbouw en werd de bouw van galerijflats door forse vraaguitval uiteindelijk vrijwel gestaakt. Het met 499 woningen grootste flatgebouw uit die tijd, De Knoepert in Venlo is zelfs nooit geheel bewoond geweest en werd in 1999 met veel spektakel opgeblazen.

Net als in de jaren ‘60 zijn stedenbouwers en veelal progressieve stadsbestuurders vrij stellig dat alle heil moet worden gezocht in de bouw van ditmaal geen goedkope maar dure appartementen. Wie hier voorzichtig een kanttekening bij durft te plaatsen, wordt al snel als milieu- of openruimtecrimineel weggezet. De keuze van deze elite is echter net als in de jaren ’60 volledig in strijd met de huidige woonvoorkeuren van woningzoekenden. Zo blijkt uit het meest recente WoON onderzoek van BZK dat van de verhuisgeneigden maar liefst 57% opteert voor een grondgebonden woning (veelal koop). 30% kiest voor een appartement in de huursector, maar dit zijn vooral starters die zijn aangewezen op een sociale huurwoning. Slechts 16% opteert voor een koopappartement. En laten dat nu juist de woningen zijn die de komende jaren volop aangeboden zullen worden! Verder blijkt dat het overgrote deel van de verhuisgeneigden het liefst in een groene woningomgeving verblijft. Deze keuze is door het thuiswerken in de coronatijd alleen maar versterkt. Geconfronteerd met deze voorkeuren, geven sommige stadsadepten aan dat bewoners hier dan maar aan moeten wennen en straks niet anders meer willen. Met het feit dat veel gezinnen momenteel op vrij grote schaal de steden aan het verlaten zijn, wordt dan uiteraard geen rekening gehouden.

Waarom dan toch deze wat roekeloze keuze van onze stadsbestuurders? Wel, één van de belangrijkste redenen is dat men open ruimte en natuur wil besparen. Blijkbaar heeft men bij deze keuze het oor niet te luisteren gelegd bij de vele natuurorganisaties zoals het Wereld Natuur Fonds en ook Staasbosbeheer, die er juist voor pleiten om buiten de steden natuur mogelijk te maken via woningbouw. Op zich toch een voor velen wenkend perspectief. Verhoog het met woningbouw belegd oppervlakte van Nederland van 7 naar 8% en breid het aantal natuurgebieden ten koste van de sterk vervuilende landbouw sterk uit. Een prima businesscase die op veel steun van links tot rechts kan rekenen.

Ook heeft men geen lessen getrokken uit de bouwcrisis in het Verenigd Koninkrijk. Daar concludeerde een parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van Sir Letwin immers dat de stagnatie in de bouwproductie niet, zoals aanvankelijk wel werd verondersteld, verklaard kon worden door een gebrek aan locaties of bouwcapaciteit, maar door een niet-marktconforme woningbouwprogrammering. De belangrijkste aanbeveling was om minder dure koopappartementen te bouwen (die in het VK ook nog eens vaak door buitenlandse speculanten worden aangekocht). Ook is het VK begonnen om een aantal nieuwe groeidorpen en -steden te bouwen.

De vraag die we ons op basis van dit alles mogen stellen, is of we binnen een generatie opnieuw de kapitale fout maken door ons niets tot weinig aan te trekken van de heersende woonvoorkeuren. Een ezel stoot zich toch immers niet tweemaal aan dezelfde….

Corrosiebescherming: goedkoop is vaak duurkoop

foto-1-tu-delft-kopieren
Lees het gehele artikel

“Corrosie is een struikrover die onverwacht en met verstrekkende gevolgen kan toeslaan”, zegt prof. dr. ir. Arjan Mol, hoogleraar corrosietechnologie en elektrochemie binnen de faculteit werktuigbouwkunde, maritieme techniek en technische materiaalwetenschappen van de TU Delft. “Om dat te voorkomen, is een deugdelijk integraal projectmanagement het sleutelbegrip.”

Het gokken op het verkeerde paard kan catastrofale consequenties hebben. In het geval van corrosie en corrosiebescherming is dat niet anders, zo blijkt. “De keuzes die op dit vlak in het begin van een bouwproces worden gemaakt, hebben effect op de levensduur en onderhoudsplegingen tijdens het gebruik van een constructie”, aldus Mol. “Zo kunnen lage investeringskosten of onwetendheid leiden tot hoge operationele kosten, omdat het metaal niet goed is voorbehandeld of er met onbehandelde of inferieure metalen wordt gewerkt. Er is dan sprake van onderbescherming van de constructie. En dat krijg je vroeg of laat dubbel en dwars terug tijdens het gebruik. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de corrosiewerende laag afbladdert, omdat het metaal niet goed is voorbereid op het aanbrengen van de verf. Iets dat in eerste instantie alleen een weerslag heeft op het esthetische karakter van een gebouw. Erger wordt het wanneer de constructieve veiligheid in het geding gaat komen. Dán kan falen uitmonden in persoonlijke ongelukken of milieuschade. Kortom, goedkoop is vaak duurkoop. In de breedste zin van het woord.”

TU Delft

Ook op het gebied van corrosiebescherming geldt de TU Delft als een vooraanstaand kennisinstituut.

 

Solide basis

Om een metalen gebouwconstructie optimaal tegen externe invloeden te beschermen, bestaan er vandaag de dag diverse technieken en systemen. Een goede corrosiebehandeling begint echter bij de basis. “Vaak wordt gedacht dat slechts het opruwen van het metaal een goed hechtingsoppervlak voor de verf oplevert”, doceert Mol. “Maar voor een goede corrosiebescherming is niet alleen de oppervlakteruwheid belangrijk, ook de oppervlaktechemie verdient alle aandacht. Er zijn tegenwoordig diverse behandelingsmiddelen op de markt die, naast de ruwheid, zorgen voor de ideale chemie tussen verf en metaal, zodat er sprake is van een optimale hechting. Om tot een duurzame oplossing voor geverfde constructies te komen, dient een goed mechanisch voorwerk samen te gaan met een dito chemische voorbehandeling. Daarop bezuinigen is echt een kwalijke zaak.”

Taak

Waar voor een optimale corrosiebescherming in het verleden vaak op chromaat gebaseerde chemie werd gebruikt, nopen de huidige ontwikkelingen tot een zoektocht naar minder belastende oplossingen. “Zeswaardig chroom staat onder druk van de internationale gezondheids- en veiligheidsregelgeving”, aldus Mol. “Daar moeten dus alternatieven voor komen. Samen met de industrie is de TU Delft als vooraanstaand kennisinstituut bezig die te ontwikkelen. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om de tussenlaag, zijn er tegenwoordig op zirkonium of driewaardig chroom gebaseerde voorbehandelingssystemen die veelbelovend zijn. We zijn daar dan ook druk doende mee. Echter, de ontwikkeling van dergelijke alternatieven gaat vaak hand-in-hand met de ontwikkelingen in de industrie. De rol van de academische wereld, waaronder de TU Delft, is dan ook om aan de markt uit te leggen hoe chemie werkt. Want de praktijk zal, tenzij gedwongen, nooit overstappen op andere oplossingen als men niet begrijpt hoe nieuwe chemie in elkaar steekt en wat het kan opleveren. Daar is voor ons een mooie taak weggelegd.”

Interview | Prof.dr.ir. Klaas van Breugel – De toekomst van beton

Foto-1-TU-Delft-kopiëren
Lees het gehele artikel

Samen met de staalindustrie veroorzaakt de betonproducerende sector zo’n 20 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Een cijfer dat maar moeilijk te reduceren is. Enerzijds blijft de mondiale vraag naar beton groeiende, anderzijds resulteren lokale tekorten aan grondstoffen over de hele wereld in een toenemend aantal transportbewegingen. Het is een situatie die, op weg naar een verdere verduurzaming van producten én processen, schreeuwt om passende oplossingen. Prof.dr.ir. Klaas van Breugel, emeritus hoogleraar betonmodellering en materiaalgedrag aan de TU Delft, laat zijn licht schijnen over de materie.

Van Breugel, voormalig hoofd van de sectie Materials & Environment binnen de TU Delft, bezit een ruime kennis en kunde op het gebied van grond- en hulpstoffen voor beton. Hij signaleert binnen de sector een tweetal ontwikkelingen die actie vereisen. “Milieu-impact en schaarste zijn momenteel de belangrijkste steekwoorden die leidend zijn rondom de ontwikkelingen en onderzoeken aangaande alternatieve grond- en hulpstoffen voor beton. Behalve dat de betonproductie zélf al gepaard gaat met een vrij grote uitstoot van CO2 is er op plaatsen waar veel wordt gebouwd, waaronder China, India en het Midden-Oosten, een dreigend tekort aan geschikt zand. Dat moet dan van elders worden aangevoerd. Wanneer het gaat om een dergelijk bulkmateriaal is dat niet iets wat wenselijk is. Het leidt namelijk tot zeer hoge transportkosten én een verdere toename van de CO2-uitstoot. In Nederland zitten we wat grondstoffen betreft behoorlijk aan de goede kant. We beschikken in onze contreien nog over voldoende bruikbaar zand en grind. Bovendien wordt tijdens de betonproductie veelvuldig gebruik gemaakt van hoogovenslakken en vliegas als cementvervanger. Maar wat nu als er andersoortige staalproductieprocessen worden ontwikkeld of kolencentrales niet meer gewenst zijn? Dan zit je dus zonder die grondstoffen. Het is dan ook zaak op zoek te gaan naar geschikte alternatieven.”

Microsoft Word - Foto 2 TU Delft.docDe bouwcyclus. Buitenste cirkel: traditionele bouw. Binnenste cirkel: demonteerbaar bouwen. (Bron: Eigen materiaal K. van Breugel, 2017, 2018)

Stoppen met slepen
Die zoektocht naar duurzaam getinte oplossingen vindt volgens Van Breugel zowel in de praktijk als binnen uiteenlopende onderzoeksinstituten plaats. In Zwitserland bijvoorbeeld loopt momenteel een onderzoek waarbij de bruikbaarheid van klei als cementvervanger wordt onderzocht. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met lokale ondernemingen in India, een land waar grote behoefte is aan bouwmaterialen en klei als lokale grondstof aanwezig is. “Het gaat er in beginsel om dat we het verslepen van bouwmaterialen zo veel mogelijk moeten beperken”, aldus Van Breugel. “Simpelweg omdat het transport daarvan erg milieubelastend is. Op dit moment is 40 procent van de huidige bewegingen op de weg bouwgerelateerd. Dat moet minder. En dat kan, onder meer door gebruik te maken van lokaal beschikbare grondstoffen.”

Een ander alternatief dat als betonvervanger op dit moment veelvuldig wordt bestudeerd, betreft de zogenaamde geopolymeren. “Dit uit hoogovenslakken of vliegas samen met een activator samengesteld materiaal levert een eindproduct op dat in grote lijnen vergelijkbaar is met beton”, doceert Van Breugel. “Bovendien heeft het een microstructuur die vergelijkbaar is met die van cementsteen. Dat maakt het tot een interessante component voor het vervaardigen van alternatieve bouwmaterialen.”

Winst voor milieu én portemonnee
Last but not least kan het circulair bouwen en het vergroten van de levensduur van een constructie volgens Van Breugel stevig bijdragen aan het duurzaamheidsstreven. “Hoe langer de levensduur is, des te minder het milieu wordt belast. Over de hele wereld vinden in dat kader op dit moment onderzoeken plaats, ook bij de TU Delft. Daarbij ligt de focus op de ontwikkeling van zelfherstellende materialen die leiden tot een langere gebruiksduur van gebouwen en een afname van de onderhoudskosten. Winst voor milieu én portemonnee.”   

Tekst | Chris Elbers   Beeld | TU Delft
Uitgelichte afbeelding: 
Prof.dr.ir. Klaas van Breugel.